




Midden afstand
800m
800m is de afstand waarop snelheid en snelheid en uithoudigingsvermogen samengaan.
Het is verwant aan de halve mijl (880 yards of 805.67m) en werd voor het eerst in
Engeland door professionele atleten gelopen rond 1830. Lange tijd was het gebruik
om een snelle eerste ronde te lopen. Maar in 1932 werd Tom Hampson de eerste die
onder 1.50 liep (1.49.7) wat hij bereikte met twee even snelle rondes. (54.8 + 54.9).
Toen de Duitser Rudolf Harbig het wereldrecord verpulverde in 1.46.6 in 1939 was
dat met name te danken aan "interval training". bedacht door zijn trainer Waldemar
Gerschler. Door deze training werd een specifiek uithoudingsvermogen ontwikkeld,
door snelle trainingsherhalingen met korte herstelpauzes: bijv. 50 x 100m, 20 x 150m.
In 1959 besloot de IAAF op te treden tegen het veelvuldig geduw en getrek door de
eerste 300m in banen te laten lopen. De huidige reglementen bepalen dat in bepaalde
grotere wedstrijden, de eerste 100m in banen worden gelopen.
Hier gaat de atleet
de strijd met zijn tegenstanders in twee ronden aan, hij neemt de situatie in ogenschouw
en komt met ze in contact ? ellebogenwerk is de normaalste zaak van de wereld. Iedereen,
groot of klein heeft een kans in deze wedstrijd waarbij anaërobe inspanning een laatste
sprint naar de finish kan ontketenen. De 800m loper moet beschikken over lef, strategisch
inzicht, gevoel voor positie kiezen en anticiperingsvermogen. Samen kunnen deze eigenschappen
je in staat stellen diegenen te verslaan die sterker zijn dan jijzelf. Het is een
wedstrijd die doordrenkt is met romantiek, waarin alles kan gebeuren, waar de verlengde
snelheid van de 400m het uithoudingsvermogen van de 1500m tegenkomt. Het is het koninkrijk
van de super- atleten die snel en lang kunnen lopen.
1500m
Het "zusje" van de mijl (1609.32m). De 1500m werd geboren op de 500m banen van het
Europese vasteland. Het is de klassieke middenafstand geworden ?die een combinatie
van snelheid, uithoudingsvermogen en tactische scherpzinnigheid is.
Het maakte al
deel uit van de eerste moderne Olympische Spelen en in de vroege periode kwamen veel
1500m lopers ook uit op de 5000m. Paavo Nurmi (Finland) werd in 1924 Olympisch kampioen
op beide afstanden. Tussen beide nummers zaten slechts 50 minuten!
De rivaliteit
tussen de Zweden Gunder Hägg en Arne Andersson, tussen 1940 en 1944 bracht het wereldrecord
omlaag tot 3.43; dankzij Gösta Olander's natuurlijke trainingsmethode van twee keer
per dag een lange duurloop.
Midden zestiger jaren won intensief snelheidgeoriënteerde
interval werk aan populariteit, dankzij de geweldige tijden die bereikt werden door
de jonge Jim Ryun (USA).
Afrika, wiens atleten hebben geleerd hun deugden van talent,
hard werken en tactische durf te combineren, hadden hun eerste doorbraak toen Kip
Keino uit Kenia het Olympisch goud won in 1968. Tijdens de Common Wealth Games van
1974, liep Filbert Bayi (Tanzania) een wereldrecord van 3.32.2 (1.52.2 op 800m).
Net zoals Roger Bannister onsterfelijk is geworden door als eerste de barrière van
vier minuten op de mijl (Oxford, 1954) te doorbreken, zo werd een andere Brit, Steve
Cram, de eerste onder 3.30 op de 1500m (Nice, 1985).
Daarvoor hadden Sebastian Coe
en Steve Ovett de heerschappij op de 1500m/mijl gehad. Vandaag de dag zijn het de
Noord Afrikanen die dit nummer domineren. Eerst Nourredine Morcelli (Alg.) en daarna
zijn opvolger Hicham El Guerrouj (Mar.), met hun straffe trainingsschema's en een
onverschrokken houding, vertegenwoordigen de ultieme volbloed 1500m loper.
Dit koningnummer,
waarin de atleet moet balanceren tussen de zuurstofvoorziening en de zuurstofschuld.
Hier begint het uithoudingsvermogen echt te tellen, maar snelheid is ook van belang,
gezien de veelvuldige deelname van 800m specialisten. De grote pioniers op de 1500m
hebben zichzelf nooit grenzen gesteld, en zo overtroffen ze zichzelf steeds. Taaiheid,
energie en mentale weerbaarheid zijn de voornaamste ingrediënten van succes. Soms
hebben ze genoeg veerkracht voor een aanval in de laatste bocht op iemand die ze
nooit eerder hebben verslagen.
